Kamia

Kamia, Kami
Waar het hemelgewelf de aarde raakt, voel ik de verten van het grote heimwee. Het strand nodigt me uit om mijn voeten in haar zand te zetten. Ik voel me anders, maar niet meer uitverkoren dan anderen. We maken allemaal deel uit van een groot geheel, als spaken in een wiel. De wolken dragen wat achter me ligt met zich mee. Ze worden voortgedreven door de wind. De wind die mijn naam fluistert, “Kamia… Kamia…, vrouw van het oosten waar de zon straalt”. Zijn licht verwarmt mijn hele wezen. Laat me terugkijken en verder gaan, laat me vergeven en loslaten. Ondersteun, zon, mijn daadkracht. Ik neem het kind in m’n armen en kus zachtjes haar voorhoofd. Wat is ze lief, wat weet ze ve
el en toch weer heel weinig van de weg, die ze mag gaan.
Mijn ogen zien de rivier van mijn leven achter me. Hij meandert rond mijn lijf, om vervolgens dwars door me heen richting mijn dochter te gaan. Haar stroom raakt de mijne. Onze wateren voegen zich tijdelijk samen. Ze kijkt me recht aan met een open blik, “Mama, ik vertrouw je, jij weet het wel….” En soms als ik het inderdaad denk te weten, raak ik de draad weer kwijt. Zoekend ga ik waar ik niet gaan kan, ik struikel en ga weer door. Steeds opnieuw de regenboog bevestigt mijn weten. De rode draad van het leven wijst me de weg. Vaag voel ik dat ik ooit zal gaan, terug naar het licht, naar mijn basis, maar nu nog niet.
Leerling zal ik zijn naast mijn dochter. Ik glimlach om haar gedrevenheid, ze houdt mij een spiegel voor. Ik wil haar zoveel meegeven, maar zij geeft mij meer. Ze herinnert me aan de dingen die ik leerde en vergeten leek te zijn. Maar ze heeft zelf ook een innerlijk weten, anders dan dat van mij. voor haar zeker zeer toereikend en voor mij om op te vertrouwen.
Ik zie de zevenster. Ze straalt haar witte licht uit tot ik het paarse schijnsel ontwaar. “Zevenster, onderzoeker van eigen waarheid, verdiep mijn innerlijke kennis. Help me mijn oude angsten te overwinnen”. Ik leer van haar een diep vertrouwen op mijn hemelse vader en op Gaia, moeder Aarde.
God, mijn vader, kent mijn twijfel. Moeder Aarde voelt als geen ander mijn onzekere passen. Ik maak mijn hoofd leeg en daardoor krijgt mijn blik de zelfde openheid als die van mijn dochter. Haar lach is sprankelend. Ze wijst enthousiast naar de wolken. Ik volg haar blik, “Zevenster! Ik ga de uitdaging aan! Kom maar vrouwtje”, teder neem ik haar handje, haar vingertjes omklemmen die van mij. “Kom maar, laten we elkaar begeleiden. Laten we op elkaar vertrouwen, maar ook vooral op onszelf. Kom we gaan de toekomst wenkt ons”.
